We Are Seven

We Are Seven is een gedicht van de Engelse dichter William Wordsworth uit 1798.
De dichter ontmoet een klein meisje en raakt met haar in gesprek. Hij vraagt haar met hoeveel kinderen zij thuis zijn, waarop zij vertelt dat ze met hun zevenen zijn. In het vervolg blijkt dat twee kinderen van het gezin in Wales verkeren, dat er twee op zee zijn en dat er twee, een broer en een zus, al zijn overleden. De laatste twee liggen begraven nabij het huisje waar zij en haar moeder wonen. De dichter kan de zienswijze van het meisje niet accepteren: als er twee zijn overleden, dan telt het gezin nog slechts vijf kinderen.
Het meisje blijft echter volhouden dat het gezin zeven kinderen telt en dat de overleden kinderen daar nog steeds bij horen. Ondanks herhaald aandringen van de dichter blijft zij bij haar zienswijze.

Vertaling van gedicht: ‘We are seven’ van William Wordsworth

Wat wist een onbekommerd kind
Dat vrij kon ademhalen
Een leven dat pas net begint
Van dood en ander falenZo’n meisje van het platteland
Kwam ik tegen, ze was acht
En in haar haar droeg zij een band
’t Was krullend, lang en zachtZe zag er boers, verwilderd uit
En woonde bij het woud
Ze keek me open aan, vrijuit
Een schoonheid, welbeschouwdZusjes en broertjes, meisjelief
Met hoeveel woon je daar?
Hoeveel? Met zeven, zei ze vief
Met zeven bij elkaarWaar zijn ze dan, vertel ’t mij
Ze zei: we zijn met zeven
Twee zijn in Conway, denken wij
Twee zijn op zee gaan levenOok op het kerkhof zijn er twee
Een zusje en een broertje
Vaak ga ik met mijn moeder mee
Naar ’t graf en dat ontroert d’r

In Conway zijn er twee, zeg jij
En twee zijn er op zee
En toch “met zeven” zeg je mij
Wie tel je dan nog mee? 

Het antwoord dat het meisje gaf
Zeven kinderen zijn we rijk
Een tweetal ligt al in hun graf
Op ’t kerkhof bij de eik

Jij, kleine meid, loopt vrolijk rond
Nog fris van lijf en leden
Twee zijn begraven in de grond
Dus vijf zijn er nog, heden

Hun graf is mooi en groen van kleur
Sprak zij onwankelbaar
Een stap of twaalf van moeders deur
Ze liggen naast elkaar

Ik brei mijn sokken daar heel vaak
En zoom mijn omslagdoek
En zing een liedje als vermaak
Als ik hen daar bezoek

En vaak als het al donker wordt
Ga ik nog gauw erheen
Ik schep wat eten op mijn bord
En voel me nooit alleen

De eerste die God tot zich nam
Dat was mijn zusje Jane
Toen aan haar pijn een einde kwam
Was zij al heel ver heen 

Toen zij daar op het kerkhof lag
Zijn wij, zodra het kon
Gaan spelen daar, haast elke dag
Ik en mijn broertje John

Toen sneeuw het graf al had bedekt
Zijn wij gaan spelen daar
De kou heeft kleine John genekt
Hij ligt nu vlak naast haar

Maar hoeveel kinderen zijn er dan
Als John noch Jane meer leven
Daar wist ze wel het fijne van
We zijn nog steeds met zeven

Maar ze zijn dood, die twee zijn dood
Ze zijn niet meer in leven
Het maakte haar totaal niet uit
Ze hield het vol en riep toen luid
Nee, nee we zijn met zeven 

 

We are seven

A simple child,
That lightly draws its breath,
And feels its life in every limb,
What should it know of death?

I met a little cottage girl:
She was eight years old, she said;
Her hair was thick with many a curl
That clustered round her head.

She had a rustic, woodland air,
And she was wildly clad:
Her eyes were fair, and very fair;
Her beauty made me glad.

Sisters and brothers, little Maid,
How many may you be?
How many? Seven in all, she said
And wondering looked at me.

And where are they? I pray you tell.
She answered: seven are we
And two of us at Conway dwell,
And two are gone to sea.

Two of us in the church-yard lie,
My sister and my brother;
And, in the church-yard cottage, I
Dwell near them with my mother.

You say that two at Conway dwell,
And two are gone to sea,
Yet ye are seven!–I pray you tell,
Sweet Maid, how this may be. 

Then did the little Maid reply,
Seven boys and girls are we;
Two of us in the church-yard lie,
Beneath the church-yard tree.”

You run about, my little Maid,
Your limbs they are alive;
If two are in the church-yard laid,
Then ye are only five.”

Their graves are green, they may be seen,”
The little Maid replied,
Twelve steps or more from my mother’s door,
And they are side by side.

My stockings there I often knit,
My kerchief there I hem;
And there upon the ground I sit,
And sing a song to them.

And often after sunset, Sir,
When it is light and fair,
I take my little porringer,
And eat my supper there.

The first that died was sister Jane;
In bed she moaning lay,
Till God released her of her pain;
And then she went away.

So in the church-yard she was laid;
And, when the grass was dry,
Together round her grave we played,
My brother John and I.

And when the ground was white with snow,
And I could run and slide,
My brother John was forced to go,
And he lies by her side.”

How many are you, then, said I,
If they two are in heaven?
Quick was the little Maid’s reply,
O Master! we are seven.”

But they are dead; those two are dead!
Their spirits are in heaven!”
‘T was throwing words away; for still
The little Maid would have her will,
And said, “Nay, we are seven!”